Rust, reinheid en regelmatig lekker eten

Het klooster van Monte Cassino, Italië: in het jaar 592 stichtte Benedictus van Nursia hier het eerste Benedictijnenklooster

Als ik in Rome werk, verblijf ik nogal eens in een klooster bij een bevriende Italiaanse abt. Hoewel ik dan doorgaans de hele dag op pad ben, word ik tegelijk ook deel van de kloostergemeenschap.

De restanten van het koptische klooster van Sint Apollo bij Bawit, Egypte: de eerste kloosters bevonden zich met name in de Egyptische en Syrische woestijn. Hier was ‘goed eten’ nog ver te zoeken

In het klooster verloopt de dag volgens een vast ritme, waarvan onder geen beding wordt afgeweken. Zo wordt er bijvoorbeeld ’s avonds om klokslag half acht gegeten. Uiteraard wordt er goed getafeld, want we zijn per slot van rekening in Italië. In dat land sluit men niet graag compromissen wanneer het op het culinaire welbevinden van zijn inwoners aankomt, ook niet als het kloosterlingen betreft. Daar staat tegenover dat er in het klooster niet heel lang wordt gedineerd. Om tien voor acht is alles alweer voorbij. Als je om vijf voor acht binnen komt zetten, heb je pech, hoe goed je excuus ook is. Op zo’n avond ga je dus zonder eten naar bed.

Benedictijnse monniken sorteren hun appels in de Franse abdij van Solemnes, daarnaast de befaamde Bénédictine likeur van de Benedictijnse abdij van Fécamp

Op het eerste gezicht lijkt zo’n regime restrictief. Interessant genoeg brengt het echter wel een aantal voordelen voor de gezondheid met zich mee waar wij als moderne, niet-monastieke mens nog iets van kunnen opsteken. Met name monniken die behoren tot de Benedictijnse orde — en over die orde gaat het hier — hebben een hoge tot zeer hoge levensverwachting. Wat is hun geheim?

Een van de Engelse monniken die werd teruggevonden

Op de eerste plaats spelen hun eetgewoonten een rol: er wordt gezond en gevarieerd gegeten. Hiermee staan de monniken in een lange traditie. In 2013 verscheen een onderzoek waarin verschillende Engelse kloosterlijke skeletpopulaties uit de periode 1050 tot 1540 werden vergeleken met niet-monastieke populaties uit dezelfde tijd. Daaruit bleek dat ook toen al de kloosterlingen een aanzienlijke betere overlevingskans hadden dan de rest van de bevolking. Omdat in genoemde periode de maaltijden van de monniken steeds meer gingen lijken op die van de bovenlaag van de bevolking, kregen ze gevarieerder en proteïnerijker voedsel binnen dan de gewone man. Daardoor waren ze aanzienlijk beter bestand tegen infectieziekten.

De Karolingische monnik Benedictus van Ariane is grotendeels verantwoordelijk voor de ‘ijzeren regelmaat’ van de huidige Benedictijnen

Toch is goed voedsel maar een deel van het verhaal, net zoals overigens het beschikken over goede en hygiënische huisvesting. Een deel van het geheim schuilt in de combinatie van de reeds vermelde ijzeren regelmaat, met voortdurende spirituele exercities. De continue meditatieve praktijken van de Benedictijnen brengen bijvoorbeeld hun bloeddruk naar beneden en helpen bij het aanmaken van allerlei antilichamen.

Vooral de monniken van het spectaculaire Griekse Meteora klooster staan er om bekend dat zij, met name door hun gevarieerde dieet, gezonder en dus langer leven dan de mensen buten het klooster

Voor mij werkt het trouwens ook, want na mijn verblijf in het Romeinse klooster kom ik daarna fysiek en mentaal herboren terug, en dat terwijl ik lang niet bij alle missen en gebeden aanwezig ben geweest. Misschien moeten wij niet-monastieken ook eens moeten proberen wat regelmatiger te eten, te werken en te rusten.

Meer weten over het rijke kloosterleven in het middeleeuwse Engeland, bekijk dan de volgende documentaire van ‘Monty Python’ Terry Jones over ‘The Medieval Monk’: